Het is inmiddels bijna tweeënhalf jaar geleden. November 2023. Zo’n datum die blijft hangen.
Ik ben al jaren geabonneerd op het Het Financieele Dagblad. Misschien een tikje linksig, maar nog steeds de belangrijkste financiële krant van Nederland. In mijn vak simpelweg noodzakelijk. Het leukste onderdeel is het weekendmagazine Persoonlijk, kortweg de “grote P”. Dat lees ik meestal niet in de woonkamer of studeerkamer, maar op die plek waar – volgens de overlevering – de keizer te voet pleegde te gaan.
Die keizer was overigens nooit de onze. De enige die we hier een beetje hadden was Wilhelm II, die na zijn aftreden in Huis Doorn woonde. Of hij daar echt te voet naar het toilet ging, vertelt de geschiedenis niet.
Op een vrijdag belde mijn oudste zoon. Vreemd gesprek. Er was een interview met hem in het FD. “Niet helemaal de bedoeling geweest”, zei hij. “Maar ik heb het al hersteld. Niet te veel aandacht aan besteden.”
Dat is precies het soort zin waardoor je de volgende ochtend vroeg bij de brievenbus staat.
Normaal haal ik de krant pas na tienen, maar nu stond ik er vroeg. Tevergeefs. De bezorger nam duidelijk de zaterdag rustig. Uiteindelijk lag de krant er pas rond half elf, inmiddels al door mijn lief uit de bus gehaald. Zij leest fanatiek zowel De Telegraaf als NRC: de eerste voor de schandalen, de tweede voor de rouwadvertenties. “Niet in NRC gestaan? Dan ben je niet echt dood.”
Vol verwachting sloeg ik Persoonlijk open. Een zoon in het FD – daar mag je als vader best trots op zijn.
Deze keer niet.
Op de voorpagina stond zijn foto met de kop: “Ik kan nu zeggen: ik hou van jou.” Het artikel begon goed, maar na een paar alinea’s ging het ineens over mij. Ik werd zeker tien keer genoemd, met details die niemand iets aangingen of gewoon niet klopten. Zo zou ik met een Porsche naar het gemeentehuis zijn gereden en zou mijn zoon mij hebben geholpen geld op te halen. Beide onzin.
Maar het echte punt kwam daarna: mijn zoon kon eindelijk zeggen dat hij van iemand hield omdat hij het juk van zijn “dominante ouders” had afgeworpen. Zijn moeder noemde hij daarbij expliciet “de liefste en zorgzaamste vrouw ter wereld”.
Daar zat ik dan, op mijn kleinste kamertje, lezend hoe ik in een landelijk magazine werd weggezet. Een journalist die meteen doorhad dat er een goed verhaal in zat, en een zoon die blijkbaar nog wat rekeningen had openstaan.
Nog dezelfde dag zette een “vriend” uit mijn Leidse jaarclub het artikel online, zodat ook de clubgenoten zonder FD konden zien hoe hun vriendje door zijn eigen zoon werd afgebrand.
Het voelde als een rouwadvertentie. Nee — als mijn necrologie. Met foto’s en drie pagina’s tekst, gelezen door honderdduizenden mensen.
Nu, tweeënhalf jaar later, is hij nog steeds mijn zoon.
Maar alleen op papier.
Wij spreken (niet meer).