Type 2

Als ik de auto geparkeerd heb in de parkeergarage, wacht mij een stevige wandeling naar de ingang.

Stevig… onzin natuurlijk. Het zijn misschien tweehonderd meter. Maar het vóélt als een stevige wandeling. Vooral omdat iedereen om mij heen harder loopt dan ik.

Dat valt mij steeds vaker op: harder dan ik.

En ik kan niet harder. Soms probeer ik het nog wel, maar het lukt niet meer.

Daarom vraag ik de dame bij de ingang vriendelijk om de taxi. Nou ja, taxi… een aangepast golfkarretje met anti-uitvaldeurtjes, bestuurd door een even vriendelijke als bejaarde heer die het wagentje behendig door het overvolle verkeer manoeuvreert.

“U moet met de lift nog wel één etage omhoog,” roept hij mij na. “Maar ik kom u straks weer ophalen.”

Op de deur staat: Bloedafname.

Maar dat klopt niet helemaal, want achter die deur zit de man die mij al vijfentwintig jaar vertelt hoe lang ik nog te leven heb.

Of misschien langer. Ik weet het eigenlijk niet precies meer.

Het begon na een paar rondjes golf op de Kennemer. Ik vond dat ik wel erg veel Gele Peters naar binnen werkte. Tonic met jus d’orange — ooit bedacht met Wil, de uitbater van het restaurant op Golfbaan Spaarnwoude.

Ik had voortdurend dorst. Dat kon toch niet normaal zijn.

Mijn huisarts Flip was snel met zijn oordeel:

“Diabetes type 2.”

De sluipmoordenaar was stilletjes mijn leven binnengewandeld.

Ik wist nauwelijks wat het betekende. Op kantoor vroeg ik aan een beeldschone doktersassistente die stage bij mij liep wat diabetes type 2 eigenlijk precies was.

“Een bewegingsziekte,” zei ze luchtig. “Niks bijzonders. Als u gaat fietsen is het zo voorbij.”

Nou… ik heb wat afgefietst in die jaren.

In gedachten dan.

In werkelijkheid vooral wakker gelegen. Dromen gehad over mannen met houten planken die mij dicht kwamen timmeren. Maar vooral heb ik mijn leven zien veranderen. Van een bijna sprookjesachtig bestaan naar een veel eenvoudiger leven waarin, naarmate de tijd verstrijkt, nog maar een paar dingen echt belangrijk zijn:

mijn lief, mijn hondje Clooney, Pa — mijn vijfendertigjarige papegaai, blind aan één oog, net Kapitein Haddock uit Kuifje — en mijn dieet.

Vorige week zat ik weer tegenover de man die bepaalt “hoe lang ik nog heb”.

Hij had goed nieuws.

Ik heb die verdomde ziekte eindelijk plat gekregen.

Het recept bleek uiteindelijk simpel: afvallen. Tweeëntwintig kilo eraf. Matig, matig, matig. Anderhalve maaltijd per dag. Er schijnt een naam voor te zijn, maar die ben ik vergeten.

Het is gewoon gelukt.

De bulk medicijnen die ik iedere ochtend slik, slik ik vooral omdat de aanvallen van de sluipmoordenaar door de tovenaars van het St. Antonius Ziekenhuis, de neurologen van het HagaZiekenhuis en deze wat afstandelijke internist van het Amsterdam UMC met succes zijn afgeslagen.

“Ik heb goed nieuws voor u,” zei hij terwijl hij naar zijn beeldscherm keek. “Alles ziet er goed uit.”

De wetenschap heeft in al die jaren ook niet stilgestaan.

En hoewel ik nooit Max zal worden, voel ik mijzelf tegenwoordig toch een beetje kampioen.

“Hoe lang heb ik nog?” vroeg ik hem bij het afscheid, na een consult van een kwartier.

Hij keek op.

“Garantie tot aan de voordeur.”

Gelukkig stond de taxi alweer klaar.

Want die voordeur… die is daar gelukkig héél ver weg.